Stultiens Pensioen Consultancy
Consultants voor actuariële, civiel en fiscaalrechtelijke pensioenvraagstukken

Stultiens Pensioen Consultancy
Truus Schroderstraat 5
5803 GL Venray

06-12909434
info@stultienspensioen.nl

Rechtszaken

Verplichte aansluiting bij BPF Meubelindustrie en Meubileringsbedrijven

Uitspraak Gerechtshof Amsterdam 23-01-2018 (datum publicatie 19-02-2018).

Jardin houdt zich onder meer bezig met de productie en verkoop van kunststof tuinmeubilair en aanverwante artikelen. Op 1 juli 2011 heeft Jardin de Enschedese Kunststof Fabriek B.V. overgenomen inclusief personeel. Laatstgenoemde vennootschap en haar personeel waren aangesloten bij het BPF.

In het verplichtstellingsbesluit is bepaald dat onder een werkgever in de meubelindustrie en meubileringsbedrijven wordt verstaan de onderneming of afdeling van een onderneming die uitsluitend of in hoofdzaak werkzaamheden uitvoert, nader aangeduid onder I a als het vervaardigen en/of bewerken, herstellen, assembleren, stofferen of met andere materialen bekleden van meubelen of onderdelen daarvan of van aanverwante artikelen (...), waaronder medeworden verstaan (onderdelen van) school-, kantoor, keuken-, kerk- en tuinmeubelen, bedden, waterbedden, wiegen, matrassen en stoelkussens.

Verder bepaalt het verplichtstellingsbesluit dat een onderneming wordt geacht zich in hoofdzaak met de hiervoor bedoelde werkzaamheden bezig te houden indien het aantal daarbij betrokken werknemers groter is dan het aantal werknemers betrokken bij eventuele andere activiteiten.

Jardin is van mening dat ze niet vallen onder het verplichstellingsbesluit. Uitsluitend de werknemers van de afdeling(en) die zich feitelijk en fysiek bezighouden met het vervaardigen van (onderdelen van) tuinmeubelen onder de werkingssfeer/verplichtstelling vallen en niet eerder dan met ingang van 1 juli 2011 verplicht zijn deel te nemen. Het grootste deel van haar werknemers houdt zich bezig met research & development en handelsactiviteiten.

De kantonrechter heeft de vorderingen van Jardin afgewezen en de reconventionele vordering van het BPF toegewezen. Het gaat niet (alleen) om werknemers die zich concreet, fysiek of direct met de productie van meubels bezighouden. Het gaat om het aantal daarbij betrokken werknemers. Dat criterium is veel ruimer en omvat ook werknemers die zich bezighouden met voorbereiding, ontwikkeling, ondersteuning, transport, opslag en alle overige werkzaamheden die redelijkerwijze vallen toe te rekenen aan de productie van meubels.

Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt Jardin met haar twee grieven op. Het aantal werknemers binnen Jardin dat zich daadwerkelijk en fysiek met het maken van onderdelen van tuinmeubels bezighoudt ten opzichte van het aantal werknemers dat zich daarmee niet specifiek bezighoudt, is bepalend. Per 1 maart 2017 ging het om slecht 9 van de 185 werknemers.

Het hof geeft aan het drijven van een onderneming veronderstelt in het algemeen activiteiten die meer omvatten dan het louter produceren van goederen, zoals (onder meer) het verwerven van grondstoffen en het verkopen van de geproduceerde producten. Waarom de activiteiten research & development en handel tegen deze achtergrond niettemin al dan niet geheel buiten beschouwing zouden moeten blijven, heeft Jardin niet, althans onvoldoende, toegelicht.

Jardin heeft ook in hoger beroep nagelaten in voldoende mate inzicht te verstrekken in het aantal en de werkzaamheden van de aldus resterende groep werknemers, die zich volgens Jardin zouden bezighouden met activiteiten die niet door het Verplichtstellingsbesluit worden bestreken zoals het vervaardigen van andere spuitgietproducten dan tuinmeubelen.

De slotsom is dat de grieven falen. Jardin zal in het ongelijk worden gesteld.

Lees de volledige uitspraak: http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2018:230.